Nieuwsbrief

 

AOW- en pensioenleeftijd naar 66 jaar

 

De ministerraad is eind april akkoord gegaan met de inhoud van het ‘Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar’. Dit wetsvoorstel wordt door minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens staatssecretaris Weekers van Financiën, aan de Tweede Kamer gestuurd. De maatregelen die in het wetsvoorstel zijn verwoord zullen ingrijpend zijn, zowel op lange als op korte termijn.

 

Verhoging AOW-leeftijd naar 66 in 2020

 

In het wetsvoorstel wordt de AOW-leeftijd per 1 januari 2020 verhoogd van 65 naar 66 jaar.Verhoging van de AOW-leeftijd maakt dat de AOW ook voor toekomstige generaties betaalbaar moet blijven. De vergrijzing zorgt voor steeds minder werkenden om AOW-premie op te brengen: nu staan er nog vier werkenden tegenover één gepensioneerde en in 2040 is dat gehalveerd tot nog maar twee. Dit betekent dat de kosten door minder mensen moeten worden opgebracht. De kosten van de AOW lopen naar verwachting op van circa 30 miljard euro nu tot ongeveer 50 miljard euro in 2040.

 

Aanpassingen vanaf 2013

 

De fiscale facilitering van het aanvullend pensioen betreffende de verhoging van de pensioenleeftijd wordt vanaf 1 januari 2013 aangepast naar 66 jaar. Werkgevers en werknemers hebben dus een jaar langer de tijd om pensioen op te bouwen. Een vervroeging van de feitelijke pensioeningangsdatum naar 65-jarige leeftijd kan met behulp van een actuariële herrekening.

 

Beperking jaarlijks opbouwpercentage

 

Nieuw uitgangspunt wordt dat in 40 jaar in plaats van 35 jaar een volledig pensioen kan worden opgebouwd. Per 1 januari 2013 gaat het maximum opbouwpercentage voor eindloonregelingen omlaag van 2% naar 1,75% per dienstjaar. Voor middelloonregelingen gaat dit omlaag van 2,25% naar 2% per dienstjaar. De huidige fiscaal maximale staffels zijn gebaseerd op pensioenopbouw in een periode van 35 jaar. Deze moeten worden gebaseerd op een periode van 40 jaar. Dit zou betekenen dat deze staffels per 1 januari 2013 met de factor 0,875 (35 / 40) worden gecorrigeerd.

 

Tot 2013 opgebouwde pensioenaanspraken

 

Voor pensioenaanspraken die tot 2013 zijn opgebouwd gaat overgangsrecht gelden: deze aanspraken blijven intact. De huidige opbouwpercentages (resp. 2% en 2,25%) en de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar blijven ongewijzigd voor de pensioenopbouw die tot 2013 plaatsvindt.

 

Overige voorgestelde maatregelen

 

Het maximale premiepercentage voor pensioenopbouw in de derde pijler (lijfrente) wordt aangepast. Het maximale premiepercentage wordt met ingang van 2013 verlaagd van 17% naar 14,5%. Ook het maximale dotatiepercentage voor de oudedagsreserve (FOR) gaat omlaag. Dat wordt in dat jaar 10% (is nu 12%). Met ingang van 2020 wordt het 40-deelnemingsjarenpensioen met één jaar verlengd naar een 41-deelnemingsjarenpensioen. Het overgangsrecht voor VUT- en prepensioenregelingen voor mensen die op 31 december 2004 55 jaar of ouder waren wordt volledig geëerbiedigd. Dat betekent dat voor deze groep met ingang van 2013 geen rekening behoeft te worden gehouden met de wijzigingen in de pensioenrichtdatum en het maximaal jaarlijkse opbouwpercentage. Het is de bedoeling dat sociale verzekeringsuitkeringen en sociale voorzieningen doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd. De maatregelen die dat moeten bewerkstelligen worden vastgelegd in een apart in te dienen wetsvoorstel. De wetsvoorstellen die in dit kader in december 2009 door het kabinet Balkenende IV zijn ingediend, worden ingetrokken.

 

Evaluatie WIA

 

De overheid heeft de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen geëvalueerd. In haar onderzoek is ook de uitvoering van de WIA onder de loep genomen. Bij de overgang naar een private verzekering is het van belang dat werkgevers weten welke kosten er vanuit de publieke verzekering resteren. Werkgevers moeten in overleg met hun verzekeraars nagaan of en onder welke voorwaarden werknemers die al ziek zijn geworden kunnen worden meegenomen in de verzekering. Ook moeten zij, mede via informatie van UWV, onderzoeken of er een inlooprisico is en hoe groot dit is. Staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken is van plan de voorlichting die UWV geeft over dit risico verder te verbeteren. Dit blijkt uit antwoorden van de staatssecretaris op Kamervragen over de evaluatie van de WIA.

 

Keuzevrijheid

 

Werkgevers hebben de keuzevrijheid tussen verzekerd zijn bij UWV (de publieke verzekering), het WGA-risico zelf dragen of het risico verzekeren bij een verzekeraar. Bij de overstap van de publieke verzekering naar privaat blijven werkgevers financieel verantwoordelijk voor de lasten van lopende WGA-uitkeringen én voor de toekomstige WGA-lasten van hun al zieke werknemers. Vanwege het omslagstelsel bij publieke verzekering heeft er namelijk nog geen reservering van deze toekomstige lasten via de premie plaatsgevonden, dit in tegenstelling tot het kapitaaldekkingstelsel bij verzekeraars. Werkgevers kunnen via informatie van UWV op de hoogte zijn van de lasten van lopende uitkeringen. De toekomstige WGA-lasten van op het moment van overstap zieke werknemers zijn wat moeilijker in te schatten. Werknemers die nog geen twee jaar ziek zijn, kunnen nog herstellen maar kunnen ook uiteindelijk in aanmerking komen voor een WGA-uitkering.

 

IPA_pensioen_boekje

 

Het handboek voor iedere (HR) manager, DGA, Accountant, adviseur enz.
Voor het nemen van de juiste pensioenbeslissingen!